Filosoferen over koud en warm

Introductie

Lees ter introductie het gedicht ‘Sporen’ voor uit de bundel ‘Jij bent de liefste’ (H. en M. Hagen, Querido 2002). Lees het eventueel twee keer, zodat alle leerlingen het goed kunnen volgen. Luister vervolgens naar de muzikale versie van G. Alderliefste dit gedicht op Youtube (link).

Begrijpend luisteren

Ga kort na of de leerlingen zich een voorstelling hebben kunnen maken bij het gedicht:

  • Heb jij weleens sporen gezien in de sneeuw?
  • Hoe zien sporen in de sneeuw eruit? Heb je weleens pijltjes gezien, van vogelpootjes?
Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels.

Filosofische vragen

Filosofeer samen aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Wat is er in de winter anders dan in de zomer? Hoe komt dat?
  • Hoe weet je dat het koud is? Wat zie je? Wat hoor je? Wat voel je precies?
  • Hou jij meer van warm of van koud? Waarom?
  • Wat kun je doen om het niet koud te hebben?
  • Wat doen dieren om het niet koud te hebben?
  • Denk je dat een ijsbeer het warm heeft of koud? Waarom denk je dat?
Afsluiting

Geef de leerlingen strookjes wit papier (snijd bijvoorbeeld strookjes van 5,5 cm breed uit een staand A4), waarop zij sporen van dieren in de sneeuw tekenen, net als in het gedicht. Welke sporen kunnen zij bedenken? En herkennen ze bij elkaars tekening van welke dieren de sporen zijn?
De tekeningen kunnen een plek krijgen op de leerwand.